artikel

Overleven als dorpssupermarkt terwijl inwoners weggaan

Achtergrond Premium

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwacht dat in 2025 maar liefst 91,8 procent van de Nederlandse bevolking in stedelijk gebied woont. Maar als dorpen inderdaad nog verder leeglopen, hoe overleef je dan als supermarkt? Het is iets waar ondernemers druk mee bezig zijn. Paul Vreeswijk, Plus-ondernemer in Oosthuizen en Ouderkerk aan de Amstel: ‘In de stad is er altijd wel aanleiding om te ondernemen. In een dorp niet.’

Overleven als dorpssupermarkt terwijl inwoners weggaan

Paul Vreeswijk heeft samen met zijn vrouw en een van zijn twee dochters momenteel twee dorpse supermarkten. Tot het voorjaar van 2016 waren ze ook eigenaar van de Plus in Amsterdam-Noord, aan de Nageljongenstraat. Vreeswijk heeft er bewust voor gekozen om de Amsterdamse winkel van de hand te doen. ‘Het is niet zo dat een stad waardeloos is, want er is altijd wat te beleven. Maar na drie overvallen hebben wij ervoor gekozen ermee te stoppen. We werken toe naar opvolging door onze dochters en we willen onze kinderen voor dat soort criminaliteit behoeden.’

Criminaliteit is een stadsprobleem?

‘Als we kijken naar voorraadverschillen die ontstaan door diefstal, dan is dat hier in Oosthuizen bijna te verwaarlozen. In Amsterdam ging het om een fors bedrag per jaar, ondanks dat we er bovenop zaten. Het gebeurt je gewoon. In Amsterdam had onze klantengroep het financieel niet makkelijk en namen ze producten mee voor hun levensbehoeften. Ze wachtten heel gelaten op de politie, want ze konden er toch niks aan doen. Hier in het dorp hebben mensen het financieel gezien prima. Ze laten het niet zien, trouwens. In Ouderkerk wel iets meer, daar kopen mensen graag luxe producten.’

Is de welvarende doelgroep een reden om te focussen op dorpssupermarkten?

‘In beide dorpen wordt inderdaad de bovenkant van de markt gezocht. Klanten willen bijvoorbeeld best truffelmayonaise proberen, maar ze blijven prijsbewust. Die vraag naar luxere producten is voor mij vooral een reden om mijn assortiment uit te breiden, ik pak graag kansen aan. Maar alleen als ondernemers om ons heen die producten niet verkopen, want anders is dat niet sociaal. En juist dat sociale is wat mij aanspreekt aan ondernemen in het dorp. Waar ik in Amsterdam het vuilnis moest opruimen van de bewoners boven de winkel, komt hier in Oosthuizen de buurman ongevraagd helpen met onkruid wieden. Iedereen helpt elkaar en klanten waarderen alles wat wij voor het dorp doen.’

Gaat het dan vooral om samenwerkingen met lokale verenigingen?

‘Ook. Maar ook werk ik graag samen met andere ondernemers. Zo zit in Ouderkerk tegenover de supermarkt veel detailhandel. Ik zorg er graag samen met hen voor dat we allemaal bestaansrecht hebben, anders hoeft de klant niet meer door de straat en doen ze de boodschappen bij de beter bereikbare Jumbo. In Oosthuizen zijn ondernemers het van mij gewend, in Ouderkerk moesten ze er even aan wennen. Maar ik ben ervan overtuigd dat als je met elkaar en voor elkaar werkt, dat je dan veel meer kunt bereiken. Daarnaast doe ik veel aan lokale initiatieven. Ik sponsorde bijvoorbeeld namens onze winkel een raam ten behoeve van de renovatie van de kerk. Die renovatie kostte €750 per raam. Daar krijg ik dan leuke reacties op vanuit het dorp. Ik moet ook wel zeggen dat er in dorpen van je wordt verwacht dat je meedenkt en meedoet. Ze willen je zien. In de stad is het veel anoniemer.’

Maar ook in de stad kun je toch klantbinding zoeken door lokale acties te steunen?

‘Het gaat wel eenvoudiger, hoor, in een dorp. In Amsterdam kreeg ik vanuit scholen de reactie dat ze geen ruimte hadden voor een gezamenlijk schoolontbijt, omdat hun planning al zo vol zit. Met voetbalverenigingen ging de samenwerking wel oké. Maar de luxe van Oosthuizen, waar we 78 procent marktaandeel hebben, daar was in Amsterdam geen sprake van. Hoewel het ook daar in Noord wel een ons-kent-onscultuur was en klanten mij en mijn vrouw kennen.’

In Oosthuizen heeft u natuurlijk makkelijk praten. Want klanten hebben er geen alternatief.

‘In Oosthuizen bedienen we inderdaad bijna het hele dorp en de omliggende dorpen. Laten we reëel zijn, in een dorp met 3200 inwoners is er ook geen ruimte voor een tweede supermarkt. Maar ook hier rijdt wel eens een AH-busje door de straat. Dat houd je altijd, de hedendaagse consument is hypermobiel. Zorgen maak ik mij er niet om. We doen er zelf ook aan mee. In Ouderkerk krijgen we op een gemiddelde maandag zo’n 16 online bestellingen. In Oosthuizen twee of drie. De klanten zien de supermarkt als sociaal ontmoetingsplaats. Ze wíllen bij mij boodschappen doen.’

Verschil tussen dorpse en stadse consument

Uit onderzoek onder 1064 consumenten blijkt dat de Nederlandse consument uit het dorp (n=158) en de stad (n=494) op een andere manier hun boodschappen doen. Stedelingen gaan vooral lopend of met de fiets naar de supermarkt (48,6 procent tegenover 37,4 procent in het dorp). In dorpen kiest men vaker voor één vaste supermarkt (31 procent tegenover 17,8 procent). Vreeswijk over de resultaten: ‘Het geeft denk ik wel een redelijk goed beeld van wat wij beleven.’

Klantbinding is wellicht wel de grootste zorg voor een stedelijke supermarkt. Hoe moet je in de stad te werk gaan?

‘Wij deden het in Amsterdam anders dan de buren. Juist als de kleine details goed gaan, kom je als supermarkt bovendrijven. Daar moet je veel tijd en energie in steken. In de praktijk betekende het dat we ook in Amsterdam onze normen en waarden hoog hielden. In onze winkel werd bijvoorbeeld alleen Nederlands gesproken, uit respect voor elkaar en voor klanten. Niets zo vervelend als wanneer twee kassamedewerkers in het Marokkaans met elkaar grappen. Een klant kan dan het gevoel krijgen dat het over hem gaat. We zeggen klanten gedag en willen écht aandacht geven aan de klant. In de stad komt het nog wel eens voor dat een klant twintig keer moet zeggen geen spaarzegels te willen. In Oosthuizen proberen we daar echt op te letten. Ook mogen caissières gerust even een praatje maken met een klant.’

Paul Vreeswijk kiest voor lokaal assortiment, zolang het geen lokale ondernemers in de weg zit. Foto’s:Wick Natzijl

‘Vooral werving van personeel is in steden lastiger. Jonge meiden werken liever in hippe kledingwinkels. In Oosthuizen zijn wij de grootste werkgever. Als je niet ver wilt fietsen voor een bijbaan, kom je automatisch bij mij uit. Ik maak daar geen misbruik van. Als werkgever doe ik veel voor en met mijn personeel. Zo ben ik onlangs met negen jongens naar een wedstrijd van Ajax geweest. Dat is heel leuk. Wat mij betreft zijn wij als ondernemer van ondergeschikt belang. Wij regelen de zaken op de achtergrond, het personeel moet het doen. We stellen onze chef agf of hoofd-caissière daarom graag centraal als zij een succes behalen. Wel zijn we als gezin zo vaak mogelijk aanwezig in de winkels. Klanten, vooral oudere mensen, maken graag een praatje. En ze zeggen het ook als ze ons te lang niet hebben gezien. Dat had ik overigens ook in Amsterdam-Noord.’

De keuze voor een dorpswinkel is gemaakt. Is er iets waar u zich zorgen om maakt?

‘Wat je in een dorp ziet, is dat de voorzieningen afnemen. Mensen zijn daar afhankelijk van. Hier tegenover zit een winkeltje dat kaarten verkoopt. Ik weet dat kaarten voor interessante handel zorgen, maar ik heb bewust maar één kaartenmolen. Het gaat ten koste van hen als wij meer focussen op kaarten, waardoor mogelijk hun winkel verdwijnt. En de extra vraag die dat met zich meebrengt, kunnen wij niet
opvangen. Wij kunnen geen extra voorzieningen, zoals een pakketpunt, toevoegen. Onze winkel kan niet worden vergroot zonder de parkeervoorziening te verkleinen. Daarom is het voor mij een zorg als winkels of agentschappen in de buurt verdwijnen. Nogmaals, samenwerken is van groot belang in een dorp. In Ouderkerk gaan we niet concurreren met de drogist tegenover ons. Daar maak ik geen vrienden mee en het maakt voor ons niks uit of we het assortiment wel of niet voeren. Wij focussen op andere dingen.’

‘Een andere voorziening waar veel discussie over is, is de pinautomaat. Binnenkort gaat de andere automaat van het dorp dicht en zijn wij de enige aanbieder. We zullen dan ineens extra geld moeten inkopen. Die zorgen heb ik neergelegd bij de gemeente.’

Bent u bang voor meer criminaliteit?

‘Criminaliteit is in onze dorpswinkels nauwelijks aan de orde. Het personeel is helemaal van slag als er een keer iets gebeurt. Maar als wij de enige pinautomaat van het dorp hebben, vind ik dat vooral vervelend voor de inwoners. Na sluitingstijd kunnen ze nergens terecht. En sommige klanten willen anoniem pinnen, daar moet een plek voor zijn.’

Spar City-ondernemer: ‘City-verhaal past mij als gegoten’

Niet elke ondernemer heeft de voorkeur voor een dorpswinkel. Martijn de Rooij opende begin deze zomer in Schiedam zijn derde Spar City. De Rooij: ‘Ik kom oorspronkelijk uit buurtwinkels. In gesprek met Spar over ondernemersschap stelden we een profiel op. Daar kwam uit dat city-winkels heel goed bij mijn persoonlijkheid passen.’ Hij doelt op het dynamische dat de stadswinkel met zich meebrengt. ‘Alles gaat snel. Dat past goed bij mij. Ik heb nog nooit spijt gehad van mijn keuze voor Spar City.’ De winst die De Rooij maakt is vooral te danken aan het gunstige verdienmodel van Spar en de almaar groter wordende markt. Voor Spar City ziet hij kansen, zeker nu de inwonersaantallen in steden alleen nog maar meer gaan groeien. ‘Mensen zijn altijd onderweg en lopen makkelijk een winkel in en uit. Er zal altijd behoefte zijn aan fysieke winkels en vooral gemakswinkels zullen alleen maar groter worden.’

Criminaliteit, waar dorpsondernemer Paul Vreeswijk van af wilde, is de Spar City-ondernemer inderdaad niet vreemd. Wel denkt De Rooij dat zijn winkels het goed onder controle hebben. ‘Ja, we hebben alles wel eens meegemaakt. Ik zie dat niet als reden om te stoppen met een stadswinkel, maar het doet wel elke keer weer pijn. Ik blijf erover praten met het hele team, dan kun je al een stuk criminaliteit tegengaan.’ Ook vanuit de onlinehoek ziet de ondernemer geen reden om te stoppen, omdat zijn winkel meer op gemak is gericht en minder op de volledige boodschap. ‘Bovendien kunnen we dat online gedeelte met Spar.nl prima invullen. Klantbinding is wel wat lastiger. In de stad is je marktgebied beperkt, het gaat maar om een straal van een paar honderd meter om je heen. Aan de andere kant kennen wij in Rotterdam onze klanten ook wel degelijk’, aldus De Rooij.

Reageer op dit artikel