artikel

Food en Wetenschap: ‘Minder vlees is uitermate urgent’

Interview

Dat we minder vlees moeten eten weet de wetenschap al 20 jaar. Maar als Albert Heijn ook vegamaaltijden in de kersteditie van Allerhande plaatst, is de kritiek niet van de lucht. Hoe groot is het probleem en waarom is de weerstand tegen minder vlees zo groot? Consumptiesocioloog Hans Dagevos bestudeert het fenomeen: ‘Kom op supermarkt, probeer iets!’

Food en Wetenschap: ‘Minder vlees is uitermate urgent’

In het Haagse World Trade Center bevindt zich het sociaal-economische onderzoeksinstituut van Wageningen University & Research (WUR): Wageningen Economic Research. Hier werkt Hans Dagevos, consumptiesocioloog, sinds 1997 als senior onderzoeker. ‘Ik kijk niet voedingskundig of levensmiddelentechnologisch naar voeding, maar naar veranderingen in de markt en maatschappij en vraag me dan af wat de repercussies daarvan kunnen zijn voor voedselconsumptie en eetcultuur op kortere en langere termijn. En ja, de consument let sterk op prijs, kwaliteit en smaak, maar ook vaak op andere aspecten, voorbij het eigen belang.’

Met de discussie over dierlijke eiwitten is uw vakgebied behoorlijk relevant geworden. Wat is het algemene standpunt van de wetenschap over de vleesconsumptie?

‘Een brede consensus bestaat al zo’n 15 tot 20 jaar dat de schaal waarop mondiaal gezien de vleesproductie en -consumptie toeneemt een moeilijk verhaal is, omdat het niet uit kan binnen de ecologische grenzen van onze planeet. Het kan dus niet zo doorgaan. We moeten wereldwijd veel minder vlees gaan eten. Verandering is uitermate urgent. Het raakt aan alle vier de grote thema’s van de landbouw: dierenwelzijn, duurzaamheid, gezondheid en voedselzekerheid. Lang niet alle dieren worden netjes behandeld en rood vlees en
bewerkt vlees zijn gerelateerd aan bepaalde ziektebeelden, als darmkanker. De milieubelasting van dierlijke producten, zowel vlees als zuivel, is te zwaar door de broeikasgasemissies, het landgebruik en het watergebruik. Ook in voedselzekerheid is het een belasting, omdat de dieren met heel veel plantaardig voedsel worden gevoerd. Op plantaardige wijze kunnen we veel meer monden voeden dan met dierlijke producten. Gegeven de groei van de wereldbevolking is het dus ook zaak om humanitaire redenen onze vleesconsumptie te gaan matigen. Het gaat er dus niet om dat dierlijke producten helemaal in de ban hoeven te worden gedaan. Zeker met een circulaire landbouw spelen dieren wel degelijk een rol. Kippen en varkens kunnen een mooie plek hebben in reststromen, maar dat is nu niet de gangbare manier in de vleesproductie.’

We moeten veel minder vlees gaan eten, is dus de consensus in de wetenschap. Waarom is dat dan zo moeilijk? Hoe lang roepen we al dat we minder vlees moeten eten?

‘In Nederland stabiliseert de consumptie de laatste paar jaar weer na een aantal jaren van lichte daling. Wereldwijd echter, neemt de vleesconsumptie alleen maar toe met het stijgen van de welvaart in landen met een grote economische ontwikkeling. Mijn eerste onderzoeken naar vleesconsumptie in Nederland dateren van 10 jaar geleden. We ontmoetten toen als het ware de flexitariër of vleesminderaar. Er was toen wat onderzoeksbudget, omdat onder landbouwminister Gerda Verburg in kabinet Balkenende 4 er enige prioriteit was gegeven aan eiwittransitie. Flexitariër, eiwittransitie – dat waren toen nog nieuwe woorden. Ondertussen is eiwittransitie een van de nieuwe investeringsthema’s van WUR, waar we de komende jaren op gaan inzetten om bij te dragen aan het veranderen van de balans tussen dierlijk en plantaardig eten. Ook zijn er de voorbije jaren meerdere adviesorganen geweest die gewezen hebben op het belang van een minder dierlijk dieet in het licht van gezondheid of de doelstellingen van Parijs. Eveneens is de productie van vleesvervangers op gang gekomen. Maar ondanks al deze beweging daalt de consumptie van vlees onder Nederlanders nauwelijks tot niet.’

Waarom lukt het niet? U stelt in de Volkskrant dat mensen een ingebouwd mechanisme hebben dat verandering tegenwerkt.

‘We hebben een status quo-bias: we houden graag wat we hebben en gewend zijn. En iedereen doet het: je wordt er niet op aangekeken als je vlees in je mandje legt. Sterker nog: de vitrine in de supermarkt heet je van harte welkom en vlees is een prettige categorie voor retailers om klanten te trekken. Als iets rijkelijk wordt aangeboden, worden signalen afgegeven als: ‘Dit is normaal, dit is aantrekkelijk.’ Het idee dat je dit niet zou moeten kopen, is dan helemaal weg. Hopen doen verkopen, de supermarkt kent dat mechanisme. De supermarkt is ingericht op vleesconsumptie, net als restaurants overigens. Er zijn wel chef-koks die daar verandering in proberen te brengen, maar dat zijn nog voorlopers. All-you-can-eat-concepten gaan nooit over groenten of fruit, maar over spareribs, schnitzels of burgers. Het is dus een veelvoud aan factoren die maken dat de consument niet echt wordt gestimuleerd minder vlees te eten. Het is ook de prijs, ook de sociale acceptatie en zelfs waardering als je vlees op tafel zet voor je gasten. Ook het idee dat we vlees nodig hebben, speelt mee, hoewel dat betrekkelijk is.’

Dwang werkt ook niet, stelt u in hetzelfde artikel.

‘Nee, ik ben persoonlijk niet zo van de dwang en constateer dat dwingende maatregelen maatschappelijk en politiek ook niet haalbaar zijn.’

Er lijkt in sommige reacties van vleeseters ook een soort onredelijke reactie te komen op de argumenten tegen vlees: ‘Dit laten we ons niet afpakken’. Vergelijkbaar met de verdedigers van Zwarte Piet of de wapenlobby in Amerika. ‘Dit is van ons.’ Daarnaast lijkt het ook oneerlijk voor de groep voor wie een stuk vlees nog hun laatste stuk luxe is: ‘Mijn vlees mag niet meer, maar de rijkere buurman vliegt drie keer per jaar met onbelaste kerosine.’

‘Het is een transitie en een transitie kent altijd verliezers. De eerste slachtoffers zijn altijd de minder bedeelden. Dat geldt nu al mondiaal: de eerste mensen die last krijgen van klimaatveranderingen, zoals stormen en overstromingen, dat zijn niet de landen in Europa. En binnen die landen zijn het vaak de meest kwetsbaren die het eerst geraakt worden. Daar komt overigens in regeringsbeleid wel steeds meer oog voor, ook in de energietransitie: dat we zorgen dat die tweedeling niet gaat ontstaan.’

‘En dat ‘afpakken’ heeft deels te maken met dat gevoel van verlies, vasthouden aan wat je hebt. Dat gevoel kun je niet vanuit een elitaire positie wegwuiven. Maar we kunnen ook laten zien dat er voor dat verlies iets in de plaats kan komen, dat het ook iets kan opleveren. Om consumenten te laten meebewegen met verandering in de ‘goede’ richting, is het belangrijk dat we niet in de ‘verliesstand’ blijven staan.’

U stelt dat het ons ontbreekt aan een goede vegetarische eetcultuur: hoe je geweldig lekker kunt eten zonder vlees…

‘Om te beginnen: er is al veel veranderd als het om vleesloos eten gaan. Maar het zal helpen als we opnieuw leren koken en anders leren denken over eten: met eten heb je ook een bepaalde verantwoordelijkheid. Maar dat geldt ook voor je diesel, je vliegreis, je plastic. We moeten leren dat zo’n verandering niet per se slecht is, of slecht is voor jou. Een verandering wil niet zeggen dat jij in het pak wordt genaaid. Als je dat maar blijft denken, gaat het veranderingstraject – dat er hoe dan ook gaat komen – alleen maar frustreren. Ik zou dus willen adviseren: probeer toch die knop om te draaien waardoor je inziet dat de verandering jou ook iets goeds, iets leuks én iets lekkers kan brengen.’

En niet alleen de consument…

‘Nee, dat geldt ook voor retailers. Retailers zijn ook bang om hun vleesomzet te verliezen. De hele vleesindustrie heeft natuurlijk zijn eigen belangen. De wetenschap weet het, de media schrijven er veelvuldig over, maar de verandering is nog niet zichtbaar in de cijfers.’

Toch constateert u dat, naast de bestaande vleesvervangers, ook de vleesindustrie is begonnen met de ontwikkeling van alternatieven. Veel vega-producten bevatten overigens nog wel eieren…

‘Inderdaad. En je vlees vervangen door Valess of door kaas heeft voor duurzaamheid niet zo veel zin, want ook zuivel en kaas zijn belastend. Maar er is een goede ontwikkeling, de markt voor vleesvervangers groeit en de kwaliteit ervan in Nederland staat op heel hoog niveau, er wordt fors geïnnoveerd. De verhoudingen zijn overigens wel dat de makers van plantaardige vleesvervangers de Calimero’s zijn in vleesland.’

Nederland is klein ten opzichte van de groei van bevolking en consumptie op wereldschaal. Kunnen wij als Nederland iets betekenen, moeten wij beginnen?

‘Tot 2050 gaat de bevolkingsgroei, de consumptie, de industrialisatie alleen maar door. Als je de impact daarvan beschouwt, kan de moed je gemakkelijk in de schoenen zakken. Een andere primaire reactie is om te roepen: waarom moeten wij beginnen? Maar wat mij betreft vatten we moed en beginnen we door te proberen van een meer plantaardig dieet een soort nationaal thema te maken. Als welvarend westers land zouden we een voorhoederol kunnen innemen in het ontdekken van de weg die naar dat menu van morgen zou kunnen leiden. En laten we zien dat het niet allemaal negatief is om te veranderen. Werken aan een andere Hollandse eetcultuur die zowel beter is voor je eigen lijf en leden als voor de wereld. Een Dutch cuisine die de toekomst van eten laat zien.’

Hoe moet dat worden aangepakt?

‘De Schijf van Vijf is bijvoorbeeld al aangepast met meer plantaardige eiwitten. Er wordt gestimuleerd meer volgens die richtlijn te eten. Ook de rijksoverheid conformeert zich hier tegenwoordig aan. In feite betekent eten volgens de Schijf dat we een derde minder vlees zouden gaan eten richting 2030. Dat betekent dat we van 38 naar 25 kilo vlees per persoon per jaar gaan. Dat is elk jaar een kilo minder. Dat hebben we de afgelopen jaren bepaald niet gehaald. Behalve betrokkenheid van consument en overheid zou ik het ook mooi vinden als de supermarkt zich hiervoor in gaat zetten. Ik zou bijvoorbeeld wel eens willen zien wat er gebeurt als een supermarkt zou worden ingericht volgens die Schijf van Vijf. Dan krijg je een heel andere winkel, met veel minder vlees en zuivel. Kom op supermarkt, probeer iets, zoek het experiment. Ik zou willen dat de supermarktbranche transitiepaden uitzet en verkent in plaats van afwacht tot de consument ze de weg wijst.’

En een vleestaks? Zijn er niet veel consumenten die wachten tot de overheid iets doet?

‘De vleestaks is momenteel politiek geen haalbare kaart. Ik zou hier ook wel voor een experiment zijn om te zien wat een vleestaks zou doen voor de vraag naar vlees. Dat laatste weten we slecht want een vleestaks bestaat nergens.’

Terwijl de politiek wel klimaatakkoorden tekent en de btw op groenten omhoog doet… En als we in 2030 concluderen dat er weer 10 jaar lang niets is gebeurd?

‘Als dat zo is hebben we een groot probleem. En dan is er dus totaal niet geluisterd naar wat de wetenschap toch heel duidelijk al zo lang heeft gezegd.’

‘De wetenschap is ook maar een mening’, wordt er dan geroepen, zelfs door wereldleiders. Wordt u af en toe wanhopig?

‘Ik zeg wel eens, grimlachend, dat ik het me niet kan permitteren om pessimistisch te zijn omdat ik kinderen heb. Ik merk dat ik in mijn onderzoekswerk ook zoek naar consumenten die ‘meedoen’. Daar vind ik kennelijk hoop en optimisme. Aan de opkomst van flexitariërs zie je dat een deel van de mensen zoekt naar het leveren van een bijdrage aan de verandering. Ik weiger zwartgallig te worden. Daar zijn de vraagstukken te belangrijk voor. Misschien komt uit dat belang en die urgentie soms wel de frustratie voort: dat het volgens mij om een majeur probleem gaat, terwijl anderen dat niet zien of er het zwijgen toe doen.’

Hans Dagevos over vleesminnaars en vleesmijders

Hans Dagevos is consumptiesocioloog en als senior scientist verbonden aan Wageningen Economic Research van Wageningen University & Research (WUR) in Den Haag. Zijn aandacht gaat uit naar voedsel, voedingsgewoonten en voedselconsumptiegedrag. Op zijn lange lijst van publicaties staan diverse studies over vleesconsumptie en eiwittransitie, waaronder het in 2010 verschenen rapport Vleesminnaars, vleesminderaars en vleesmijders: duurzame eiwitconsumptie in een carnivore eetcultuur, om een vroeg voorbeeld te noemen. Het boekhoofdstuk ‘Building a market for new meat alternatives: business activity and consumer appetite in the Netherlands’ is de jongste titel op het moment.

 

Reageer op dit artikel